Categories
essay filosofie leven

Wat er nodig is om een zinvol bestaan te leiden

Vandaag is dezelfde zorg voor de volgende dag en ik heb veel last van mezelf.
Ik bedenk en zeg dit om zo hopelijk mijn humeur te sturen naar een lichtere beleving in deze steeds weerkerende realiteit. De jaren zijn gestapeld in mijn bestaan en qua omstandigheden is er gelukkig nog steeds iets te genieten, maar om die redenen voorop te houden in mijn beleving valt mij zwaar en dat is al zo sinds mijn kinderjaren met besef – zo rond mijn achtste – al feit.

Verplicht zinloos

Mijn ouders hadden meer ontberingen als je de levensomstandigheden vergelijkt en daar kan ik me van bewust zijn, omdat me dit is verteld. Er was dus een moment om mijn ontevreden gevoel te bespelen, zodat zij niet langer met een ontevreden kind te maken hadden. Daar werd dan nog aan toegevoegd dat het heus niet alleen voor mij opging, maar dat we allemaal beter af waren dan voorheen. Zo jong als je dan bent, valt daar niets tegenin te brengen en de eerste steen van verplichte aanpassing werd aan me opgedrongen. Daar komt bij, dat ik als enig kind niet de omstandigheid kende van oudere of jongere broers of zusters om naar te wijzen, aan te vragen of op af te reageren – iets waar ik tot op vandaag romantische voordelen aan verbind, maar wat mij nooit ten deel kan vallen. Nee, in plaats hiervan treedt de nadruk op het alleen zijn meer op de voorgrond – een reactie die ik ook tegenwoordig als zodanig ervaar, wanneer ik me ontevreden voel.

Mijn bewustzijn voelt indrukken en ervaringen van het leven en dit stelt mij in staat om empathisch vermogen aan de dag te leggen: iets waar anderen mee geholpen kunnen zijn, maar waarmee ik voor mezelf slechts een eenzaamheidsgevoel creëer. Zo ervaar ik de wereld om mij heen als een van gevoelloosheid en onbegrip, ook voor mijn beleving. En weer komt eenzaamheid zich melden. Ik redeneer tegen mezelf, dat het slechts mijn gevoel is en niet noodzakelijk een realiteit, dus altijd weer de tering naar de nering te zetten, jezelf aan te passen uit eigenliefde.

Maar door de opstapeling van jaren, waarin dit feitelijk steeds weer terugkeert, voelt het als een zinloze exercitie, waarbij ik zelf keer op keer tijdelijke baat realiseer. Daar tegenover lijken ongevoelige, niet empathische individuen zorgeloos te bestaan. Onbewust gebruikmakend van welwillende empaten als ikzelf wordt mijn groep verweten, dat we onszelf in een slachtofferrol houden om zo meer aandacht te krijgen. Zinloos – stel je gevoel beter af op je levensverwachting is dan het advies. Wat wil je nu eigenlijk?

Wat ik wil is wereldvrede en daaraan voorafgaand: afschaffing van financiële validatie. Het komt mij voor, dat een ongelukkige gevoel bij mensen voortkomt uit een tekort aan ideale omstandigheden hetgeen zich bewijst door het najagen van verplichte aanpassing en verlies van eigenwaarde aan de eisen van de samenleving. Wel is men bekend met teleurstelling van allerlei aard, maar dit pareert men met een ogenschijnlijk gemak van schouders ophalen en weer doorgaan op dezelfde onveranderde basis als daarvoor. Dergelijke kortzichtigheid leidt slechts tot dezelfde teleurstelling en heeft een vicieuze toekomst, maar wordt, zo valt mij op, afgedaan als: “wie dan leeft, die dan zorgt”, iets wat mij als hoogst ongeïnteresseerd voorkomt en geen toekomst verdient.

Als mensen niet meer geïnteresseerd zijn in een toekomst voor zichzelf of voor het eigen nageslacht, uit zich dat in een volledig uitgefaseerd bewustzijn, of willekeur van de hoogste, te veroordelen, orde. Geen van beide nodigen uit tot investering en zo is men in dit land politiek gaan bedrijven.
Wij werken dus zelf in de hand dat niemand nog in ons wil investeren – dan hoef je namelijk niets meer te verwachten en komt de aloude vuistregel van ieder grondgebied naar voren, die luidt: vraag niet wat het grondgebied voor u doet, maar wat u doet voor uw grondgebied.
Al is er eerlijkheidshalve niets van u bij, u wordt zo gewezen op uw verantwoordelijkheid voor uzelf en de uwen en er is eigenlijk geen ruimte om de schouders op te halen en te leven naar een onpersoonlijke regel als “wie dan leeft, die dan zorgt”. Al was het maar om zo in te zien dat het leven, ook al is het een persoonlijke gift, groter is dan wie dan ook en zonder elkaar onmogelijk.

Partners

“Ja lief, nee lief… ach zoek het uit lief!”
“Heel lief, maar nee dank je lief.”
“Moet dat nu lief?”
“Kan dat niet anders lief?”
“Sorry lief, het spijt me echt – nee, écht.”

Door de bank genomen maken partners zelden hetzelfde door op hetzelfde moment. Logisch: je bent en blijft twee individuen, die voortdurend voor elkaar kunnen kiezen, maar door momenteel gevoel geleid geen vanzelfsprekende aansluiting kennen.
Hoe verhoudt ‘houden van’ zich in deze voortdurende verandering en hoe beperkt of begaafd moet je zijn om je altijd lekker en jezelf te voelen in je zelf gekozen liefdesrelatie?

Vanzelfsprekende antwoorden zijn er niet. Tenminste één feit leidt ons bestaan in, of liever gezegd: begint ons ieder bestaan: onze verwekkers, onze liefhebbende ouders. Hoe en wat onze verwekkers liefhebben komt voor het nageslacht altijd pas later door in ons bewustzijn en zelfs dat is niet gegarandeerd: de samenleving eist zoveel tijd op dat je maar beter niet aan jezelf toekomt. Gehoor geven aan verwachtingen en voorrang verlenen aan noodzakelijkheden is geboden. Hoe verantwoordelijk zijn we dan feitelijk voor ons bestaan, onze keuzes? Iedereen loopt achter de feiten aan, door het beginsel van ‘bestaan’ en de afhankelijkheid als zuigeling tot jong volwassene. En als je afkomst geen zielsrust brengt en
je samenleving geen ruimte biedt voor persoonlijke aandacht, hoe kun je dan met jezelf overweg?

Integriteit

Mijn vrouw en ik zijn getrouwd, houden van elkaar en zijn beiden enig kind.
Sinds het begin van onze relatie is respect voor elkaars beleving en gevoel van het grootste belang.
Na veertien jaar stellen wij vast, dat we ondanks, of door, onze eerste leefregel niet dichter bij elkaar komen. Wel zijn we van alles over onszelf te weten gekomen. Ons ‘houden van’ is groter dan ooit en werd ooit gevoed, nog voor we elkaar kenden, door het mensenrecht in Nederland, de emancipatie en het recht van meningsvrijheid, met daarbij de beste opleidingsmogelijkheden.
Goed en fout werden als vanzelfsprekend beleefd en verdedigd, binnenshuis en op school.

En waar vaders en moeders aangaven, dat de realiteit van een professioneel bestaan dit als onhaalbaar vertaalde, lag dat toch zeker aan de tijd van toen en na de falende beslissingen om oorlog te voeren wisten wij nu toch beter, als welwillende mensheid, en nageslacht heeft de toekomst. Wat voor een toekomst is dat gebleken?

Om met het laatste te beginnen: nageslacht krijgt in feite de toekomst, die de historie achterlaat. Welwillende mensen zijn de grootste verliezers van iedere oorlog, de beslissing om oorlog te voeren is onzuiver en zogenaamd ‘niet in staat daglicht te verdragen’. Het onhaalbare van een professioneel bestaan hangt samen met tijdtekort en/of geldtekort – als je de integriteit voorrang geeft. Goed en fout in combinatie met meningsvrijheid vormt een reden om gevaar over je bestaan af te roepen. Opleidingsmogelijkheden bepalen je inzetgebied en doorzettingsvermogen. Emancipatie zorgt ervoor dat er volledige inkomstenbelasting wordt verkregen en mensenrechten zijn, als privacy, meer een privilege dan een recht.

Toch wil ik mijn vrouw gelukkig zien en ofschoon zo’n beetje alles financieel gevalideerd is vandaag de dag, zijn er nog steeds menselijke noodzaken niet in geld uit te drukken: respect voor elkaars gevoel en beleving. Die integriteit bepaal je zelf en de historie die daarmee samenhangt is haalbaar, mits je uitkomt voor je menselijke noodzaken zonder eenzijdigheid.

Wij blijven bij elkaar – al wordt de afstand nog zo groot. Uiteindelijk zorgt slechts de dood voor aards afscheid.

 

Essay, geschreven op 31 juli 2019 als inzending voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2019.

Het essay is samengesteld uit de drie fragmenten “Verplicht zinloos”, “Partners” en “Integriteit”, die alle handelen om de filosofische vraag wat het leven zinvol(ler) maakt – de vraag, die de auteur zich voortdurend stelt.